Stap 4: Interpreteren van de resultaten

Toets als eind- én beginpunt

Toetsen zijn bedoeld als hulpmiddel. Methode onafhankelijke toetsen geven een objectief beeld van wat een leerling kan en wat een leerling nog moet leren. Met deze informatie kan een leerkracht het onderwijs optimaal afstemmen op zijn groep én op individuele leerlingen. Toetsresultaten geven dus niet alleen een eindstand weer, maar ook een beginpunt!

Doorgaande lijn

Leerkrachten kunnen er hun voordeel mee doen als zij informatie over kinderen en het aanbod dat zij hebben gehad op een goede manier overgedragen krijgen. Op die manier hoeven zij niet het wiel opnieuw uit te vinden en het voorkomt dat lesstof onnodig  wordt herhaald. 
Binnen de lesmethoden Spoar 8 en Searje 36 kan een leerkracht terugvinden aan welke doelen van het rrF de leerlingen in eerdere jaren hebben gewerkt. De leerkracht kan op basis van die gegevens, doelen en aanbod kiezen die hierop aansluiten en de leerlingen helpen om hun taalvaardigheden te verbeteren en verder uit te bouwen. Hierbij is het ook interessant om naar uitkomsten van de evaluatie-instrumenten te kijken. Mogelijk worden er taalonderdelen nog onvoldoende beheerst en zouden herhaald moeten worden.

Van PO naar VO

De doorgaande lijn stopt niet aan het einde van de basisschool. Ook het voortgezet onderwijs heeft belang bij gegevens uit voorgaande jaren om passende- en aansprekende leerstof aan te bieden. Leerkrachten van groep 8 kunnen m.b.v. de exportfunctie in Spoar 8 een eindrapport per leerling opstellen en deze digitaal of op papier overdragen aan de docent van het VO. Ouders en leerling geven hier uiteraard eerst toestemming voor.

Uit welke toetsen bestaat GRIP?

GRIP heeft drie methode-onafhankelijke toetsinstrumenten: de Frisiatoetsen, de Lêsbegryptoetsen en meerdere (zelf)observatie-instrumenten voor mondelinge- en schriftelijke vaardigheden.
Alle instrumenten kunnen, binnen de omgeving van Spoar 8 en Searje 36, digitaal worden ingevuld. Voor de Frisiatoetsen en de  Lêsbegryptoetsen genereert het systeem overzichten waarin alle resultaten van de leerlingen worden getoond. Uit deze groepsoverzichten kunnen zowel individuele onderwijsbehoeften als het benodigde groepsaanbod worden afgelezen.

Hoe je de toetsen klaar zet, het resultatenoverzicht maakt en waar je dat terugvindt in de omgeving van Spoar 8 en Searje 36 staat beschreven in een ‘Sprinter’ (handleiding).

Lêsbegryptoetsen

Deze toets lijkt op de toets begrijpend lezen in reguliere leerlingvolgsystemen, zoals Cito. De Lêsbegryptoetsen doen een beroep op de woordenschat en het letterlijk tekstbegrip (vragen waarvan het antwoord terug te vinden is in de tekst), maar ook op de vaardigheden: leggen van verbanden en informatie kunnen afleiden. Deze vaardigheden zijn ‘universele vaardigheden’. Dat wil zeggen: als een leerling dit in de ene taal kan, dan kan hij het ook in andere talen, mits hij natuurlijk voldoende woord- en taalkennis heeft van die taal. Leerlingen die deze toets goed maken hebben dus voldoende woordenschat en begrijpen de Friese zinsopbouw. Daarbij beschikken ze over de vaardigheden: verbanden leggen en informatie afleiden.

Mogelijke oorzaken voor tegenvallende resultaten

Als leerlingen deze toets niet goed kunnen maken, kunnen er verschillende oorzaken zijn:
1. de leerling kan het Fries niet goed verklanken en herkent woorden daardoor niet;
2. de leerling beschikt over te weinig Friese woordenschat en taalkennis;
3. de leerling beheerst de leesvaardigheden verbanden leggen en informatie afleiden onvoldoende. NB: De leerling zal in dit geval ook bij de reguliere toets begrijpend lezen uitvallen!

Er kan natuurlijk ook sprake zijn van een combinatie van deze oorzaken.

Mogelijke interventies

Afhankelijk van de oorzaak, kunnen één of meerdere van onderstaande interventies van toepassing zijn:

  • Verbeteren van de technische leesvaardigheid Fries: uitleg en oefening van de typisch Friese lettercombinaties en klanken, bijvoorbeeld met de Lêsline;
  • Uitbreiden van de Friese woordenschat. Let op. Als de woordenschat in het Nederlands wel voldoende is, kan er volstaan worden met het aanbrengen van de Friese labels. Als de woordenschat in het Nederlands ook beperkt is, zal gewerkt moeten worden aan het uitbreiden van het woordenschatkennis in brede zin, bijvoorbeeld m.b.v. de viertakt didactiek en/of in combinatie met het lezen van rijke (Friese) teksten;
  • Modelling en oefening van de leesvaardigheden verbanden leggen en informatie afleiden. Hierbij horen ook nog de aanvullende leesstrategieën: voorspellen, vragen stellen, samenvatten en visualiseren. Deze vaardigheden kunnen zowel in het Fries als in het Nederlands worden “gemodelld” en geoefend. Het gaat hier om universele vaardigheden: eenmaal geleerd kunnen ze worden toegepast in meerdere talen. Oefening en modelling kan dus zowel met Nederlandse als Friese teksten. NB: tegenwoordig wordt niet meer geadviseerd om lessen exclusief te richten op de leesstrategieën, maar dit meer binnen de aanpak van Close reading te integreren. Voor Close reading kunnen ook interessante, rijke Friese teksten worden gebruikt.

Frisia-toets

De Frisia-toetsen meten de taalkennis van het Fries wat betreft woordenschat (woordbetekenissen én idioom) en de woord- en zinsbouw. Er zijn drie toetsen: één voor groep 4, één voor groep 5 en 6 en één voor groep 7/8. De laatste kan ook in het VO gebruikt worden in de klassen 1, 2 en 3 en in de vierde klas van het VMBO-TL. In de handleiding van de toets staat aangegeven hoe de eindscore omgezet kan worden naar een niveau (bijvoorbeeld voor in het rapport).

Interpreteren van resultaten

In onderstaande tabel staan de verschillende taalonderdelen van de Frisia-toets weergeven. Onder elk onderdeel zijn de opgavenummers per toets genoteerd. Wanneer in het groepsoverzicht bepaalde opdrachten opvallen, bijvoorbeeld omdat ze door een groot deel van de leerlingen fout zijn gemaakt, kan m.b.v. de onderstaande tabel worden opgezocht om welke onderdelen het gaat. Deze kunnen dan in de komende periode worden herhaald.

In onderstaand overzicht is zichtbaar dat de opstap-Frisia alleen woordenschat meet. De basis-Frisia meet alle taalonderdelen.

(Zelf)Observatie-instrumenten

GRIP bevat een omvangrijk aantal (zelf)observatie-instrumenten voor het in kaart brengen van de mondelinge- en schriftelijk vaardigheden. In het overzicht hieronder is aangegeven welk instrument voor welke groep is. Ook staat beknopt aangegeven op welke onderdelen het instrument is gericht. Dit overzicht geeft direct zicht op de mogelijkheden en taalsituaties om deze instrumenten in te zetten.

Universele vaardigheden

De mondelinge en schriftelijke vaardigeden die met behulp van de instrumenten kunnen worden beoordeeld, zijn ‘universele vaardigheden’. Dat wil zeggen dat ze in elke taal van toepassing zijn, mits je natuurlijk die taal voldoende beheerst. Bijvoorbeeld: In het observatie-instrument mûnling oerlis staat het item: de leerling gebruikt argumenten. Iemand die in het Nederlands al geleerd heeft om in een overlegsituatie argumenten te gebruiken, zal dat in een Friestalige situatie ook doen, mits hij voldoende taalvaardig is in het Fries. Let er bij de analyse van de resultaten dus op of de leerling geen argumenten gebruikt omdat hij deze universele vaardigheid niet beheerst of omdat hij de Friese woorden niet kan vinden om zijn argument te formuleren. De leerkracht kan er voor kiezen om de universele taalvaardigheid te oefenen in het Nederlands en daarnaast te werken aan het vergroten van het Friese vocabulaire van de leerling. Ook kan de leerkracht er voor kiezen om de universele taalvaardigheid onmiddellijk in het Fries aan te leren. Dat kan door de leerling te voorzien van de juiste taalsteun. De aangeleerde vaardigheid zal de leerling ook kunnen gebruiken in een Nederlandstalige situatie.

Schriftelijke vaardigheden: tekstopbouw, grammatica en spelling

De observatie-instrumenten behorende bij schriftelijke taalproducties bevatten items t.a.v. tekstopbouw en grammatica & spelling. Begrijpen hoe teksten opgebouwd zijn en dit toepassen in eigen schrijfproducten is weer ‘universele kennis’ en in elke taal toepasbaar. De observatie-items gericht op grammatica en spelling zijn taalgebonden en richten zich in het kader van GRIP op het Fries.
Schriftelijke opdrachten kunnen heel goed als aanleiding worden genomen om bepaalde specifieke grammatica en spellingsregels onder de aandacht te brengen. Bijvoorbeeld door een schrijfproduct van één van de leerlingen met de hele groep te bespreken.

Tip: Koppel schrijfopdrachten aan begrijpend lezen en leesmotivatie. Bijvoorbeeld: eerst wordt gezamenlijk een boek- of filmrecensie gelezen en besproken (opbouw, woordkeuzes, toonsetting, etc.), daarna gaan leerlingen zelf een recensie schrijven bij een gelezen Fries boek of een bezochte Friese voorstelling. Deze recensie worden “beoordeeld” m.b.v. het (zelf)observatie-instrument Skriftlike resinsje. N.a.v. de uitkomsten kunnen bepaalde tekstkenmerken, grammatica en spelling worden besproken en verbeterd.

Voor technische vragen over het opstellen van een eindrapport m.b.v. de exportfunctie of over het terugvinden van gegevens over het rrF, kunt u bellen met de Afûk: 058 234 3070.
Onderwijskundige vragen m.b.t. het vormgeven van de doorgaande lijn en het interpreteren van resultaten, kunt u stellen aan Eelke Goodijk 06-12 52 2662 of email: e.goodijk@cedin.nl

Dorien Hamstra 06-13 12 17 50 of mail d.hamstra@cedin.nl